De Voorstad groeit

Friday 20 January 2006.

 
De rellen in de Franse voorsteden in de herfst van 2005 leken het zoveelste bewijs te zijn dat de grootschalige woningbouw uit de jaren vijftig en zestig - in Frankrijk de Grands Ensembles genoemd - een historische vergissing vormen die maar beter zo radicaal mogelijk van de kaart geveegd kan worden. De landen die zich dat kunnen permitteren, Nederland, Frankrijk, sommige delen van Duitsland, Engeland en de Verenigde staten, zijn daar dan ook al bijna een decennium flink mee bezig.

De problemen die deze wijken alleen al in Nederland opleveren zijn kennelijk zo groot, dat er een massale consensus is dat zij moeten worden gesloopt. In Nederland levert het sloop en nieuwbouwregime van de naoorlogse wijken veel pijn en fragmentatie op. Door flats eerst half leeg te laten lopen alvorens de laatste bewoners er met verhuispremies uit te lokken, worden juist de armere en dikwijls oudere bewoners veroordeeld tot het leven aan steeds legere, treurigere galerijen en portieken. Deze zogenaamde huurstopmethode kan als metafoor worden gebruikt voor wat er ook op grotere schaal gebeurt: wijken die op de nominatie staan gesloopt te worden, zullen in de jaren voordat het werkelijk begint, zelf de argumenten voor hun sloop kracht bijzetten: ze worden steeds treuriger, leger en onaantrekkelijker, waardoor de sloop als een verlossing zal aankomen.

De moeilijke vraag of deze wijken, bestaand uit veel collectief groen, portiek-étage woningen en galerijflats, intrinsieke eigenschappen bezitten die tot sociale problemen leiden, wordt al gesteld vanaf het moment dat ze werden opgeleverd. Inmiddels is het zo dat de vraag stellen haar beantwoorden is: als je een probleemwijk afbreekt, zijn de probleembewoners gedwongen naar andere woningen op zoek te gaan en is het probleem, op de plaats waar het eerst bestond, nu inderdaad opgelost. Wellicht zullen de probleembewoners, als ze in lagere concentraties over de stad worden verspreid, ook minder problemen veroorzaken, misschien ook niet. Op de plaats van de oude probleemwijken komen nieuwe wijken, voor een groot deel bestaand uit grondgebonden eengezinswoningen geordend in patronen die ontleend zijn aan de oude stad maar functioneren als amerikaanse suburbs. Deze nieuwe wijken trekken middeninkomens en starters aan, waardoor het economische draagvlak en daarmee het voorzieningenniveau, het opleidingsniveau en de identiteit van deze wijken drastisch wordt verbeterd. Deze drastische ombouw kan alleen maar worden uitgevoerd door middel van een gigantisch overheidsapparaat, in Amerika het federale departement voor huisvesting HUD, in Frankrijk het Ministère de La Ville en in Nederland het ministerie van VROM. Bovendien moet dit overheidsapparaat zich omringd weten door een netwerk van gemeentelijke, provinciale, semi-publieke en particuliere diensten, organisaties en ondernemers van stedenbouwkundige diensten tot en met woningcorporaties. Al deze organisaties, hoe verschillend ze ook zijn, lijken over één ding in ieder geval niet te twijfelen, en dat is dat je met grootschalige, technische en ruimtelijke ingrepen, complexe maatschappelijke problemen kan oplossen: dat vorm vooraf gaat aan inhoud. Dat hebben ze gemeen met hun illustere voorgangers uit de jaren vijftig en zestig die overal ter wereld, volgens hetzelfde patroon van gestapelde woningen boven collectief groen, nieuwbouwwijken en satellietsteden bouwden. Al deze wijken volgen hetzelfde sociologische diagram waarin het gezin, via de buurt en vervolgens de wijk integreert in de stad. De modernistische woonwijken - of het nu gaat om Sarcelles bij Parijs, Le-Mirail bij Toulouse, Albertslund bij Kopenhagen, Ursynow bij Warschau, 23 Enero bij Caracas, Madinat al Sadr bij Baghdad, Ekbatan bij Teheran, de Bijlmermeer bij Amsterdam of Vinkhuizen bij Groningen - zijn allemaal gebouwd als deterministische modellen voor een moderne en harmonieuze stedelijke samenleving.

Maar het zijn ook gewoon woonwijken geworden, stukken stad die niet meer bepaald worden door de complexe ideologieen van hun ontwerpers en bouwers, maar door de nog veel complexere en onvoorspelbaardere werkelijkheid van veertig of vijftig jaar geschiedenis. Deze lokale ontwikkelingen verschillen in extreme mate van elkaar, waardoor wijken die bij oplevering hetzelfde waren, of ze nu in Afrika, De verenigde staten, Pakistan of Scandinavie stonden, na enkele decennia een onmiskenbaar eigen karakter hebben gekregen. Dit proces van lokale toeeigening is op een perverse manier verbonden met het determinisme van de oorspronkelijke opzet van de wijk. wijken die gebouwd waren voor een bepaalde bevolkingsgroep, bijvoorbeeld arbeiders in de plaatselijke staalindustrie, worden bevolkt door hele andere groepen, bijvoorbeeld immigranten. Dezen treffen in de wijken allerlei dingen die ze niet nodig hebben maar die er vanwege de planningsideologie toch staan en missen allerlei dingen die ze juist wel nodig hebben maar die vanwege dezelfde ideologie zijn weggelaten. Het gevolg is dat parkeergarages in kerken worden omgebouwd, collectief groen in parkeerplaatsen voor de deur wordt veranderd etc. De architectuur wordt aangekleed met veranda’s, balkonnetjes, nieuwe voordeuren, afdakjes en met religieuze of aan de popcultuur ontleende symbolen. Langzamerhand, in arme landen sneller dan in rijke, verliezen deze wijken hun determinisme, en lost het hierarchische diagram van gezin-buurt-wijk-stad zich op in een veel complexer en gelaagder patchwork van relaties en nieuwe vormen en ruimtes. De Duitse architectuurcriticus Wolfgang Kil heeft dit proces onderzocht met name in Oost Duitse nieuwbouwwijken en heeft er de naam normalisierung aan gegeven: de puurheid en doelgerichtheid van het oorspronkelijke concept verdwijnt achter een dikke korst van laag na laag van kleine aanpassingen waardoor langzamerhand een ‘gewone’ stadswijk in het zicht komt die zich echter in ruimtelijk opzicht totaal onderscheidt van wat we daarvoor als een ‘gewone’ stadswijk beschouwden. Maar zelfs de meest romantische beschouwer van naoorlogse wijken moet toegeven dat in het rijke westen de modernistische woonwijken en satellietsteden voorlopig nog niet normaliseren, maar afglijden naar een staat die hun juist steeds verder doet afstaan van de rest van de stad met haar ‘gewone’ rommelige en gelaagde woonwijken.

Een mogelijke verklaring is dat ‘bij ons’, dat wil zeggen in het rijke westen, de naoorlogse wijken nooit de kans hebben gekregen om op een beetje losse wijze te normaliseren. Dit heeft niet te maken met een teveel aan regeltjes en controle op deze wijken zoals soms wordt verondersteld, maar met een meedogenloos voortdenderende planningsmachinerie. Het beton van Pendrecht, de Bijlmer, Sarcelles of Clichy sous-Bois nog niet droog, of men bedacht midden jaren zestig iets nieuws, iets dat nog groter en nog beter was. In Nederland kwam het groeikernenbeleid. Hele nieuwe steden werden gebouwd, om oude dorpjes heen of op de maagdelijke polder. Het effect van het bouwen van Almere op de ontwikkeling van de Bijlmer is bekend. De nieuwe ruim opgezette stad met eengezinswoningen op een korte treintijd van Amsterdam, trok alle jonge amsterdamse gezinnen waarvoor men de Bijlmer had bedoeld, naar Almere. Inmiddels was de Bijlmer bijna klaar maar had nog geen metro. De immigratie vanuit onze voormalige kolonieen en vervolgens ook andere ex-kolonieen werd naar de flats in de Bijlmer gekanaliseerd, met als gevolg een fascinerende, totaal ongeplande potpourri van ethniciteiten en culturen, zonder enige economische logica of samenhang.

Maar het meest dramatische voorbeeld van hoe ruimtelijke ordening en stedenbouw als een op hol geslagen bulldozer ieder keer de economische fundamenten wegbreekt van dat wat ze net heeft opgeleverd, en daarmee weer de aanleiding creeert voor een volgende ronde van plannenmakerij, is wel Parijs, of liever Ile-de-France. toen Parijs uit de oorlog kwam werd zij omringd door een banlieue bestaand uit kleine steden, industriegebieden, velden vol met kleine suburbane villaatjes maar ook een leeg schootsveld rond de negentiende-eeuwse stadsmuren en heel veel, en steeds meer, sloppenwijken. Deze ontstonden al sinds de negentiende eeuw toen het franse platteland langzaam leegliep en de boeren naar de stad trokken. Het lege schootsveld rond de oude en al half verdwenen aarden wal was als barriere tegen de pruisische invasie nuttleoos bebleken maar hield wel de onfortuinlijken tegen die zich buiten de stad ophielden. Het immense modernistische nationale bouwproject dat begon in de jaren vijftig richtte zich niet alleen op het bouwen van de ideëel ontworpen grands ensembles, maar op het bouwen van een nieuw Parijs, dat veel groter, veel moderner en veel samenhangender moest worden dan het oude. Het schootsveld rond de stad werd ingevuld met de boulevard peripherique, een snelweg, die half onder de grond lag en daardoor parken en boulevards spaarde, maar die ook een ringvormig nieuw centrum om de stad heen creëerde. Dit dynamische centrum bevatte nieuwe parken, congrescentra, voetbalstadia, ziekenhuizen en moderne woningbouw. Het verbond met haar talloze bruggen de banlieues met Parijs. In de banlieues werd bovendien de een na de andere immense nieuwe woonwijk gebouwd: de Cité des 4000 in la Courneuve, Clichy-sous-Bois, Pantin etc. Maar de bulldozers trokken ook de stad in; oude wijken in Montparnasse, Tolbiac, Belleville werden aangewezen als ilôts insalubres - onhygienische bouwblokken -, vernietigd en vervangen door schijven, torens, pleinen, voetgangersgebieden en winkelcentra. Het resultaat was, of had moeten worden, een naadloze stad waar al het oude en rotte bebouwing uit is gesneden en is vervangen door moderne en lichte gebouwen, met elkaar verbonden door grote pleinen, verkeerswegen, bruggen en parken, een stad met een historisch hart, maar een gloednieuw skelet in de vorm van de boulevard peripherique.

Deze visie was echter nog niet eens halverwege haar voltooiing of er werd een nieuwe aan toegevoegd, die nog groter was van schaal. Aan het einde van de jaren zestigwerden de Villes Nouvelles geconcipieerd. Het zou gaan om 9 uitgestrekte nieuwe steden op enkele tientallen kilometers afstand van van de grote steden. Parijs alleen zou er vijf krijgen. De Parijse Villes Nouvelles zouden evenals Almere bij Amsterdam ruim zijn opgezet, met veel eengezinswoningen, veel groen maar een structuur die tegelijkertijd suburbaan als stedelijk zou zijn. Bovendien zouden deze steden vele voorzieningen en ook werkgelegenheid bieden. Tenslotte zouden ze door een heel nieuw high-tech regionaal metrosysteem (RER) met het hart van Parijs worden verbonden. Binnen twintig minuten kun je sindsdien van Cergy-Pontoise naar Chatelet-les-Halles reizen. Op deze manier werd de reikwijdte van de planning nog groter gemaakt, en werd de absolute centraliteit van Parijs als nooit te voren in ere hersteld. Voor de grands ensembles was het een rampzalige ontwikkeling. De RER zoeft blind aan hen voorbij, met in haar kielzog de middenklasse gezinnen, de voorzieningen, de nieuwe scholen, de werkgelegenheid en het imago van moderniteit en het goede leven. De grands ensembles werden binnen vijf tot twintig jaar in plaats van aantrekkelijke nieuwe woonomgevingen een soort noodvoorzieningen voor immigranten. Zij kregen niet de kans zich te ontwikkelen; gezinnen trokken niet naar een groter huis om de hoek als ze het zich konden veroorloven, maar naar een groter huis aan de RER in Cergy Pontoise. Jongeren gingen zodra ze gingen studeren in het centrum van Parijs wonen, of vlak bij een de nieuwe universiteit in Evry. De grands ensembles werden monofunctionele woonkazernes, afgesneden van de stad, bevolkt door mensen die niet anders konden. Het was alsof de sloppenwijken er gewoon weer stonden, maar dan hoog, modern en ontworpen door de elite van de franse naoorlogse architectuur.

De plannings- en vernieuwingsmachinerie deed vervolgens het enige waar zij toe in staat is en wat ze al een keer eerder had gedaan: zij verklaarde de grands ensembles ditmaal tot de nieuwe ilôts insalubres (dit maal: Zones Urbaines Sensibles: ZUS) en maakte zich op voor de zoveelste golf van afbraak en nieuwbouw. Ook deze golven van afbraak en nieuwbouw werden in de jaren negentig weer opgewekt met een enorme centralistische grandeur, als Grand Projets de la Ville. Wat om Parijs en de andere grote Franse steden heen gebeurt, is fundamenteel hetzelfde als wat er in Nederland gebeurt. In plaats van de dirigistische staat zijn het in Nederland de geprivatiseerde woningcorporaties die het initiatief nemen in het slopen van het oude ‘woningbestand’ en het bouwen van hele nieuwe generaties woonwijken.

Terug naar de rellen: de franse jongeren die in November van 2005 de rellen veroorzaakten zijn stelselmatig door de politici en plannenmakers gedefinieerd niet als bewoners, maar als problemen en bedreigingen. Wat dat betreft was het ook consequent van Nicholas Sarkozy dat hij ze aanduidde als canaille. Dit ‘tuig’ is één van de problemen waar men vanaf wil door het slopen van de gebouwen waarin en waaromheen zij rondhangen. De wijken waar in Nevember de rellen uitbraken waren bijna zonder uitzondering wijken waar de afgelopen jaren enorm veel geld en ambitie in is geïnvesteerd om ze af te breken en weer op te bouwen naar wat nu het beeld is van een fatsoenlijke stad. In vele wijken was het slopen al in volle gang. Google de namen van de ergste brandhaarden en u treft prachtige glossy websites aan vol met plannen, speeches, animaties en slogans voor het nieuwe Clichy-sous-Bois, het nieuwe La Courneuve, het nieuwe Lyon Laduchère etc.

We zouden de rellen dus ook niet moeten zien als een opstand tegen de woonomgevingen zelf, maar tegen het feit dat ze worden behandeld als vuilnisbelten of sloppenwijken die zo snel mogelijk moeten worden opgeruimd. Er is een paralel te trekken tussen het feit dat de relschoppers hun woede uitten over het feit dat zij zich zelf als Fransen zien, maar dat de fransen hun als buitenlanders zien, en het feit dat het hier gaat om woonwijken waar hele generaties al tientallen jaren wonen, die door de mensen die er niet wonen worden gezien als gevarenzones die moeten worden opgeruimd. De sociale logica achter sloop en vervanging is dat door het slopen van de geïsoleerde concentratie van probleembewoners, zij zich over de stad zullen verspreiden en zich zullen optrekken aan de anderen. Doordat dit op een lokaal niveau gebeurt, valt nooit op dat het in feite gaat om het telkens doorschuiven van een in wezen onveranderend probleem. Het enorme media-event dat de rellen in Frankrijk zijn geworden heeft in één keer laten zien wat de omvang en de aard van het probleem is en daarmee dat generieke sloop en vervanging een onderneming is van een afgrijselijke megalomanie en kortzichtigheid.

Het ultieme gevolg van het telkens overnieuw beginnen en het vorige slopen, of dat nu in Nederland is of in Frankrijk, is dat steden zich ontwikkelen tot permanent circulerende bouwputten rond een tot in de perfectie gereconstrueerd historisch centrum. Éen deel van de stadswijken zal nieuw zijn en middeninkomens trekken, voorzieningen, scholen etc. Een ander deel zal echter niet meer aantrekkelijk zijn en als toevluchtsoord dienen voor immigranten of voor achterblijvers; deze wijken zullen steeds meer als probleemgebieden behandeld worden totdat een grootschalige vernieuwingsoperatie ze zo goed als van de kaart zal vegen en vervangen door iets nieuws. Inmiddels zal echter een recentere wijk langzamerhand aan het afglijden zijn. We zien bijvoorbeeld in Nederland, nu de sloop van de jaren vijftig en zestig wijken al enige jaren in volle gang is, dat de eerste geluiden rijzen over de onbeheersbaarheid, de verborgen armoede, de te kleine huizen en dus de aanstaande sloop van de jaren zeventig wijken.

Als er iets uit de jaeren vijftig zou moeten worden gesloopt zijn het niet de woonwijken, maar de machinerie die er nog steeds toe leidt dat steeds weer hele stadswijken eendimensionaal tot een sociaal probleem worden gereduceerd dat op een zo daadkrachtige manier moet worden opgeruimd. Maar voor dit mechanisme moet wel een ander in de plaats komen. De vraag aan de stedenbouwkundigen, bestuurders en ondernemers is om deze wijken de gelaagdheid en de trots te geven van andere wijken die zich door de tijd heen hebben ontwikkeld. De manier om de naoorlogse wijken te helpen zou zijn om ze complexer te laten worden, om er lagen, gebouwen, functies en betekenissen aan toe te voegen die ze nu nog niet hebben. Maar het belangrijkste is dat deze wijken worden beschouwd als works in progress, die nu al vijftig jaar herinnering hebben opgebouwd. Door deze collectieve ervaring temidden van een heftig veranderende wereld, zijn al deze wijken totaal anders geworden dan hun planners hadden voorzien. Deze andersheid zou de elementen en thema’s moeten leveren voor de verbetering van deze wijken, en niet als argument moeten worden gebruikt om ze als mislukt te beschouwen en ze te slopen. Bestaat er een geloofwaardige en effectieve stedenbouw die opereert op basis van wat ze ziet en aantreft en niet op basis van een generiek model?

In het archief van bijna uitgevoerde grootse en meeslepende stadsprojecten, liggen twee cultclassics, die als voorbeeld zouden kunnen dienen. Beiden zijn gemaakt in de jaren tachtig door notoire soixante-huitards, voor gebieden die als hopeloos beschouwd werden en worden. Het eerste plan is door Rem Koolhaas voor de Bijlmermeer uit 1986. Koolhaas werd gevraag om een allerlaatste poging te wagen om de Bijlmer, over wiens afbraak men al jaren praatte, een nieuwe kans te bieden. Hij deed dat door ten eerste in hyperbolen te spreken over de monumentale grandeur, de utopische visie, de on-nederlands doorgevoerde ideologie en de totale consistentie van de Bijlmer en hield dit voor aan de laffe, paternalistische architectuur van de jaren zeventig en tachtig. Vervolgens deed hij er alles aan om de puriteinse helderheid van de Bijlmer juist te ondermijnen, of liever, er laag na laag van andere systemen overheen te leggen. Het eindeloos repeterende zeshoeken-raster werd eerst doorsneden door een Las Vegas achtige boulevard met markten, uitgaansgelegenheden, cinema’s etc. Vervolgens werd het overvloedige groen samengetrokken in een zigzaggend park in het midden. Daarna kreeg ieder binnenhof, voorheen uniform, zijn eigen identiteit door een sportveld, een strand, een theater enz. De lege ruimte tussen de blokken werd bezaaid met allerlei woningtypes: villaatjes, bungalows, rijtjeshuizen, patio-huizen, torentjes etc. Tenslotte werden tussen de belangrijkste oude en nieuwe bestemmingen in het plan kaarsrechte paden getrokken, als vaccin tegen het rondgedwaal in het groen tussen de blokken. Het resultaat zou zijn geweest een Bijlmermeer waarvan de woningen zouden blijven staan, maar waarvan de plattegrond zou zijn veranderd van een eenduidig voortwoekerend leeg groen, in een drukke overlapping van allerlei paden, straten, functies, paviljoens en activiteiten: zeg maar een stad. De kale abstractie van de Bijlmer kreeg ineens een kleurrijke maar niet minder systematische humuslaag. Het werd voorstelbaar dat mensen weer vanwege de moderniteit en de dynamiek en de nergens anders verkrijgbare ruimte met stedelijke kwaliteiten, naar de Bijlmer zouden willen komen. Het plan speelde een paar jaar een rol in het duw en trek werk rond de Bijlmer. Maar de El Al crash bleek het begin van het einde voor de ideologische honingraten te zijn en inmiddels is het gebied bijna volledig vervangen door een vinexlocatie.

Het tweede plan is niet zozeer een ontwerp, alswel een fascinerend politiek proces met stedenbouw als belangrijkste instrument: Banlieues ’89 van de Parijse architecten Roland Castro en Michel Cantal-Dupart. Het object van Banlieues ’89 was ‘Le Grand Paris, Parijs inclusief al zijn voorsteden. Zij wilden dit hele parijs, met al haar verschillende landschappelijke lagen, historische nederzettingen, stedenbouwkundige structuren en verschillende bevolingsgroepen als geheel tot een project maken. Ten tweede wilden zij daarbij de barriere die de boulevard peripherique was geworden tussen het centrale Parijs en het gebied daarbuiten neutraliseren. Merkwaardig maar uiterst belangrijk is dat met name Castro daarin zwaar was beinvloed door de jaren van psychotherapie die hij had gevolgd bij Jacques Lacan. Met de Lacaniaanse trits Reeel - Imaginair - Symbolisch ging hij de zekerheden van de ‘ultra-rationele’ planning te lijf. Tegenover de eenduidig geplande stad zette hij de ‘ville sedimentaire’, de stad die bestaat uit allerlei afzettingen, die zowel fysiek kunnen zijn als in de herinnering kunnen bestaan, zowel individueel als collectief. In plaats van de stad van de ‘ligne droite’ zette zij de stad van ‘le chemin de l’ane’, het pad van de ezel, die ronddwaalt, langs een grillig parcours. De methodes die Castro en Cantal-Dupart gebruikten waren een combinatie van het empirische, het architeconische en het politieke. Eerst maakten zij een set van kaarten met daarop een simpel raster. Op dat raster tekenden zij de meest uiteenlopende zaken in, cafées. cinemas, afstand tot bushaltes, scholen, parken, plekken waar je kan zwemmen etc. etc. Deze kaarten gaven een schrijnend beeld van de enorme ongelijkheden en en leegtes in de schijnbaar overvolle banlieues, met soms concentraties van duizenden mensen zonder ook maar een cafe, een winkel of een speeltuin binnen een redelijke afstand die ook nog eens anderhalf uur moesten reizen om in het hart van Parijs te komen. Ten tweede gingen Castro en Cantal dupart, met steun vanuit het Elysee, een enorme trektocht maken langs alle burgemeesters van de banlieues gemeentes en de parijse arrondissementen. Het waren er 77 in totaal; aan iedere burgemeester koppelden zij een architect. Samen moesten zij een of meerdere projecten concipieren, dat hoe klein of groot, hoe functioneel of symbolisch ook, een effect moest hebben op het gebied zelf. Zo ontstond er een kaart met in totaal 250 projecten, waarvan sommigen landschappelijk van aard waren en de schaal van het hele Grand Parius besloegen, zoals projecten voor de Seine oevers of voor een tram die de banlieues met elkaar verbond, en andere die meer plaatselijk waren: parken, gebouwen, boulevards. De projecten hadden tot doel om te laten zien wat er al lag aan landschappelijke, symbolische en stedelijke potenties. Het Lacaniaanse aan dit project is dat daarbij de onderbewuste trots en ‘le desir’ van de plaatselijke bestuurders en bewoners werd meegenomen als een serieus element voor een stedelijk project. In principe had dit project daarmee een enorme kans op realisering, veel sterker dan wat voor toip down bedacht megaplan ook. Maar juist doordat het in toenemende mate serieus werd genomen, enw erd ingebed in allerlei ministeries en departementen, verloor het de strijd. Banlieues ’89 leidde tot instelling van allerlei ministeries, interministeriele departementen en Castro werd een soort senator voor de Banlieues. Maar toen hij bemerkte dat het project werd gereduceerd tot een serie mediagenieke events trad hij af en zonk het project weg. De tramlijn is er wel gekomen.

Banlieues ’89 en het Bijlmermeerproject zijn wat betreft schaal en ‘smaak’ nauwelijks te vergelijken. Het Bijlmermeerproject is een project voor de vernieuwing van één satellietstad; Banlieues ’89 gaat een hele regio te lijf. De Bijlmer maakt gebruik van hardcore vernieuwende ontwerpmethodieken; Banlieues ’89 van reeds bekende typologieen. Maar wat ze gemeen hebben is dat ze met een voor hun generatie typische intellectuele agressie de bestaande aannames en mechanismes achter de fysieke werkelijkheid en het rationele verhaal ondergraven, en diepere lagen aanboren. Ze hebben de stad herontdekt niet als een eenduidig project, maar als een kaleidoscoop van ideologie, vorm, verhalen, beton en banale functies. Beide projecten richten zich op het compliceren van te simpele, te lege en te rationele omgevingen door het toevoegen van lagen. Deze lagen zelf kunnen bestaan uit op zichzelf kleine ingrepen zijn, dingen die functioneren op een buurt of zelfs een straathoek-niveau, maar soms ook lijnen op de schaal van de regio. De plannen staan of vallen niet met een volledige uitvoering door één opdrachtgever. Ze bestaan eerder uit catalogi van deelprojecten, die allen op een totaal andere manier kunnen worden uitgevoerd, en waarvan de samenhang discreet maar onverbiddelijk is. Deze bevindt zich immers op een imaginair en een politiek niveau. Wat deze plannen gemeen hebben en waarvan wij nu nog steeds kunnen leren is dat zij uitgaan van de stad als een fascinerende sedimentatie van de meest tegenstrijdige elementen en visies. Daarbinnen worden ook de grands ensembles ofwel de naoorlogse woonwijken met open armen ontvangen en zonder aarzeling opgenomen. Doordat beide plannen ver zijn gekomen in een politiek proces, maar daarop uiteindelijk ook zijn stuk gelopen, leren ze ons ook over de gevaren en de booby traps van stadspolitiek en ruimtelijke ordening. We moeten ze zien als belangrijke voorgangers in de strijd tegen de technocratische kleinzieligheid en pseudo-daadkracht waarmee nu een belangrijk deel van onze steden wordt gemarginaliseerd en daarmee de ontwikkeling van de stad als geheel wordt gefrustreerd.

(gepubliceerd in De Groene Amsterdammer onder de titel "Slopen bouwen slopen")